Antwerpen Centraal

 

Op 3 mei 1836 reed de eerste trein naar van Mechelen naar Antwerpen.
Het eerste station, dat op de plaats van het huidige stond, was een primitief stationnetje met vier sporen, dat Borgerhout-bij-Antwerpen noemde. In 1853 kreeg Antwerpen een nieuw station, de "Ooststatie". Het station was een houten paviljoen in zwitersche stijl was 18 meter hoog en 100 meter lang. Omdat het station zich buiten de stadsomwalling bevond moest men van landsverdediging hout gebruiken. In geval van oorlog moest het station snel afgebroken, of kapotgeschoten worden, zodat men een open schietveld bekwam. Door de economische bloei midden 19de eeuw gingen meer en meer mensen zich in" 't Stad " vestigen. Hierdoor ontstond er een plaatsgebrek en groeide de stad buiten haar vestingen. Rond het station en de Keyserlei (verbindingsas tussen het station en de stadskern) groeide een commerciële stadswijk met verscheidene monumentale gebouwen.

Door deze groei was het station weer te klein. In 1870 besloot men om een nieuw, groot, monumentaals station te bouwen. Door Architect L. Delacenserie en ir C. Van Bogaert werd gekozen voor een kopstation bestaande uit een spoorhal en een stationsgebouw. Een kopstation had als voordeel dat het minder plaats inneemt, en dat de reizigers tot in het centrum van de stad gebracht worden.
In 1895 werd met de bouw van de spoorhal begonnen. De 66m brede, 186m lange en 43m hoge stalen constructie werd gebouwd met reusachtige verrolbare stelling die boven de nog in gebruik zijnde gelijkgrondse sporen stond. Wanneer de 17 bogen gemonteerd waren begon men met het metselen van de gewelven waarop de sporen kwamen. Eronder was plaats voor de bekende juwelierswinkels. De sporen werden op 5 meter hoogte gelegd zodat alle overwegen konden vervangen worden door bruggen. Zo verdween de overlast aan de overwegen.
In 1899 werden de sporen aangelegd tot Berchem. Daar werd een verbinding gemaakt met de bestaande sporen. Op15 juni werd de hal plechtig geopend.

In 1899 werd het houten paviljoen afgebroken om plaats te maken voor een monumentaal stationsgebouw. Delacenserie liet zich inspireren door het nu inmiddels afgebrande station van het Zwitserse Luzern en het Pantheon in Rome. Het gebouw werd ontworpen in de renaissancestijl en moest door zijn afmetingen en inplanting, in alle pracht en praal het symbool van de sterk groeiende, rijke koopmansstad worden. De acht torentjes rondom een grote monumentale koepel zijn van de renaissance een voorbeeld. Het gebouw werd in gebruik genomen op 11 augustus 1905.

Het station doorstond de eerste wereldoorlog zonder al te veel aantasting, maar tijdens de tweede wereldoorlog had het meer te lijden. Het koper van de daken werd verwijderd om wapens en munitie aan te maken. Vooral de inslagen van de V-bommen in en nabij het station veroorzaakten grote schade. Bijna al het glas was gebroken, marmeren platen gebarsten, en de stalen verbindingen werden zwaar op de proef gesteld.
Na de oorlog werd enkel op gevaarlijke plaatsen de gebarsten en verdwenen ruiten vervangen door nieuwe. Op de niet herstelde plaatsen kon het water jarenlang zijn verwoestend werk doen. Eind jaren vijftig kreeg een voorbijganger een stuk steen, afkomstig van een van de torentjes op zich. Daarom werd om veiligheidsredenen besloten om de verschillende delen die dreigden neer te storten af te breken. Zo verdwenen zes van de acht torentjes en de twee minaretten aan de kant van de ingang van de spoorhal (kant Berchem).


In 1975 wordt het stationsgebouw erkend als een beschermd monument. Een jaar later volgt de spoorhal.

Tijdens een controle in 1982 blijkt dat de stalen spoorhal zeer zwaar was aangetast door roestvorming. Omdat kleine herstellingen nutteloos waren, besloot men om de hal volledig te restaureren. De werken startten op 24 maart 1986 en werden eind september 1989 voltooid. Verschillende boogfunderingen werden versterkt, de volledige eindboog met gordijn (aan de kant van Berchem) vernieuwd en de dakbedekking bestaande uit zink, asbestcement en glas werden vervangen door koper en kunststof en sommige stalen onderdelen werden vervangen. De hele constructie kreeg een antiroest behandeling en werd nadien in het gekende rood geschilderd.

Eind jaren 80 besloot de NMBS het monument in zijn bestaande toestand herwaarderen, vooraleer de verdwenen ornamenten terug te plaatsen. In 1988 startte de restauratie van het ontvangstgebouw. Door de jarenlange opstapeling van verontreinigingen zoals, remstof, vettige uitlaatgassen, roet en andere stofdeeltjes afkomstig van de stoom- en diesellocomotieven, heeft zich op het gebouw een donkere film gevormd.